WAT ZULT DE LEU D’R WA NIET VAN ZEG’N

Op vrijdagmiddag na school was het vaste prik om samen met mijn moeder en zusje bij mijn oma en tante op bezoek te gaan. Nog voordat we onze jassen hadden opgehangen, stak er iemand van wal. Meestal mijn tante. Hej ’t al heurd? (Heb je het al gehoord?)

En voor we het wisten, hadden we alle nieuwtjes gehoord: over buren van vroeger, de tante van de gymvriendin van oma of de vroegere schoolgenoot van mama. Bij mij ging het meestal het ene oor in en het andere oor uit. Ik wachtte met smart op het moment dat ik het chocolaatje aan het ietwat valse hondje mocht voeren.

Als kind nam ik me heilig voor dat ik schijt zou hebben aan wat anderen van mij zouden vinden. Dus hup, daar ging ik, vanuit Twente naar Amsterdam. Een vrij leven tegemoet. Van de buitenkant leek ik die stoere, vrijgevochten jonge meid die alles zei en deed wat ze wilde. Maar ook al was ik ver weg van mijn familie, ik was continu bezig met wat zij zouden vinden van mijn keuzes.

In de loop der jaren kwam ik erachter dat ik geen last had van wat anderen van mij zouden denken, maar vooral van de gedachten over wat IK dacht dat anderen van mij zouden denken.

Een voorbeeld: ik ben een curvy lady. Altijd al geweest. Ik heb altijd goed in mijn vel gezeten en mezelf mooi gevonden. Maar ik dacht altijd dat anderen, zowel mannen als vrouwen, mij niet mooi zouden vinden.

Ik merk het ook in mijn praktijk. Veel mensen hebben vooral last van wat zij denken dat anderen van hen vinden. Dat is meteen ook het goede nieuws. Want invloed op wat anderen doen of denken hebben we nauwelijks, maar invloed op ons eigen denken en doen hebben we wél.

De ring die ik op de foto draag, kreeg ik op de sterfdag van mijn moeder. Het is de ring waar ik als kind dol op was en die ik iedere vrijdagmiddag droeg als ik bij mijn oma op bezoek kwam. Als ik met mijn jas aan bij de deur stond, schoof ik de ring weer om mijn oma’s knokige vinger.

Ik heb de kromme pink van mijn oma geërfd en inmiddels net zulke rimpelige handen als mijn moeder. Maar wat ik niet meer met me meedraag, is de stress over wat “de leu der wa niet van zult zegn” (de mensen er wel niet van zullen zeggen).